all

all
adj. al; alle
--------
adv. alles
--------
n. allemaal, allen; alles
--------
pron. alles; allemaal, allen, iedereen
all1
[ o:l] 〈zelfstandig naamwoord; geen meervoud〉
gehele bezit
voorbeelden:
1   her jewels are her all haar juwelen zijn haar gehele bezit
————————
all2
〈voornaamwoord〉
alle(n)allemaal, iedereen
allesal, allemaal
voorbeelden:
1   〈tennis〉 thirty all dertig gelijk
     one and all, all and sundry alles en iedereen, jan en alleman
     they all have left, they have all left, all of them have left ze zijn allemaal weg
     all of the soldiers al de/alle soldaten
2   when all is (said and) done uiteindelijk
     what's it all about? waar gaat het nou eigenlijk over?
     it's all one/the same to me het kan me (allemaal) niet schelen
     all that I could see het enige wat ik kon zien
     above all bovenal, voor alles
it was all I could do to convince him ik had er de grootste moeite mee hem te overtuigen
     if you can't, I'll have to do it, that's all als jij het niet kunt, dan zal ik het moeten doen, zo simpel is/ligt dat
     once and for all voorgoed
     after all per slot van rekening, toch, tenslotte
     he can't walk at all hij kan helemaal niet lopen
     if I could do it at all als ik het maar enigszins kon doen
     did you do it at all? heb je het überhaupt/eigenlijk wel gedaan?
     she spoke very little if (she spoke) at all ze zei heel weinig, als ze dan al wat zei
     〈na bedanking〉 not at all niets te danken, graag gedaan
     for all I care he can get stuffed wat mij betreft kan hij de pot op
     for all I know voor zover ik weet
     for all I know, he might nog come at all misschien komt hij helemaal niet, weet ik veel
     in all in 't geheel, in totaal
     all in all al met al
     it costs all of \\td100 het kost niet minder dan 100 dollar
     and all enzovoort
     〈informeel〉 how could you do it, with your handicap and all? hoe heb je het kunnen doen, en dan nog wel met jouw handicap?
→ wellwell/
————————
all3
〈bijwoord〉
helemaalgeheel, volledig; 〈informeel〉 heel, erg
voorbeelden:
1   he went all mad hij werd knettergek
     all right in orde, okay
     all worn out helemaal versleten
     if it's all the same to you als het jou niets uitmaakt
     I've known it all along ik heb het altijd al geweten
     all at once plotseling
     all over again, 〈Amerikaans-Engels〉all over van voren af aan
     〈voornamelijk Amerikaans-Engels〉 books lay scattered all over er lagen overal boeken
     paint it blue all over schilder het helemaal blauw
     all round overal; 〈figuurlijk〉in alle opzichten
     there was satisfaction all round iedereen was tevreden
     all too soon (maar) al te gauw
     I'm all for it ik ben er helemaal voor
all the same toch, desondanks
     〈informeel〉 it's not all that difficult zo (vreselijk) moeilijk is het nu ook weer niet
     all out uit alle macht; op volle snelheid; 〈informeel〉bekaf
     go all out alles geven, alles op alles zetten
     that's Jack all over 〈informeel〉dat is nou typisch Jack; hij lijkt precies op Jack
     〈informeel〉 he's all there hij is niet op zijn achterhoofd gevallen
     the dog was all over me de hond sprong van alle kanten tegen me op
     the family were all over me de familie verwelkomde me uitbundig
     all the better/sooner des te beter/sneller
→ all rightall right/
————————
all4
I 〈onbepaalde determinator〉
de grootst mogelijke
enig(e)
één en al〈Amerikaans-Engels〉 puur, zuiver
voorbeelden:
1   with all speed zo snel mogelijk
     〈informeel〉 of all … nota bene 〈drukt verontwaardiging of verbazing uit〉
     today of all days uitgerekend vandaag
     of all the nerve/ 〈Brits-Engels〉 cheek! wat een brutaliteit!
     they called on uncle Jim, of all people! ze gingen nota bene bij oom Jim op bezoek!
2   beyond all doubt zonder enige twijfel
3   he was all ears hij was één en al oor
     〈Amerikaans-Engels〉 it's all wool het is zuivere/100% wol
II 〈onbepaalde determinator, predeterminator〉
al(le)geheel, gans
al(le)ieder, elk
voorbeelden:
1   all (the) angles (taken together) are 180° alle hoeken van een driehoek (samen) zijn 180°
     with all my heart van ganser harte
     〈voornamelijk Brits-Engels〉 all the morning, 〈voornamelijk Amerikaans-Engels〉all morning de hele morgen
2   all (the) angles are 60° elke hoek is/alle hoeken zijn 60°
→ thatthat/

English-Dutch dictionary. 2013.

Игры ⚽ Поможем решить контрольную работу
Synonyms:

Look at other dictionaries:

  • all — [ ɔl ] function word, quantifier *** All can be used in the following ways: as a determiner (followed by an uncountable or plural noun): They had given up all hope. All children deserve encouragement. as a predeterminer (followed by a word such… …   Usage of the words and phrases in modern English

  • all — (ôl) adj. 1. Being or representing the entire or total number, amount, or quantity: »All the windows are open. Deal all the cards. See Synonyms at WHOLE(Cf. ↑whole). 2. Constituting, being, or representing the total extent or the whole: »all… …   Word Histories

  • All — All, adv. 1. Wholly; completely; altogether; entirely; quite; very; as, all bedewed; my friend is all for amusement. And cheeks all pale. Byron. [1913 Webster] Note: In the ancient phrases, all too dear, all too much, all so long, etc., this word …   The Collaborative International Dictionary of English

  • All — All, n. The whole number, quantity, or amount; the entire thing; everything included or concerned; the aggregate; the whole; totality; everything or every person; as, our all is at stake. [1913 Webster] Death, as the Psalmist saith, is certain to …   The Collaborative International Dictionary of English

  • All to — All All, adv. 1. Wholly; completely; altogether; entirely; quite; very; as, all bedewed; my friend is all for amusement. And cheeks all pale. Byron. [1913 Webster] Note: In the ancient phrases, all too dear, all too much, all so long, etc., this… …   The Collaborative International Dictionary of English

  • All-to — All All, adv. 1. Wholly; completely; altogether; entirely; quite; very; as, all bedewed; my friend is all for amusement. And cheeks all pale. Byron. [1913 Webster] Note: In the ancient phrases, all too dear, all too much, all so long, etc., this… …   The Collaborative International Dictionary of English

  • All — All. Aller, alle, alles, ein Wort, welches in den meisten Fällen den Begriff der Allgemeinheit ausdrucket, und in dreyerley Gestalt üblich ist. I. * Als ein Umstandswort, welches dessen ursprüngliche Gestalt ist, der Zahl, Menge und innern Stärke …   Grammatisch-kritisches Wörterbuch der Hochdeutschen Mundart

  • all — ► PREDETERMINER & DETERMINER 1) the whole quantity or extent of: all her money. 2) any whatever: he denied all knowledge. 3) the greatest possible: with all speed. ► PRONOUN ▪ everything or everyone. ► ADVERB 1) complete …   English terms dictionary

  • all — [ôl] adj. [ME al, all < OE eal < IE * al no s < base * al , * ol , beyond, exceeding > L ultra] 1. the whole extent or quantity of [all New England, all the gold] 2. the entire number of [all the men went] 3. every one of [all men… …   English World dictionary

  • All — All, a. [OE. al, pl. alle, AS. eal, pl. ealle, Northumbrian alle, akin to D. & OHG. al, Ger. all, Icel. allr. Dan. al, Sw. all, Goth. alls; and perh. to Ir. and Gael. uile, W. oll.] 1. The whole quantity, extent, duration, amount, quality, or… …   The Collaborative International Dictionary of English

  • all — 1. all or all of. All can be used before singular or plural nouns, and of is not needed except before pronouns standing alone (all human life / all the time / all children / all tickets / all of them / all you people). The construction with of is …   Modern English usage

Share the article and excerpts

Direct link
Do a right-click on the link above
and select “Copy Link”